Weer

zondag, mei 30, 2010

Mijn gedroomde schrijftafeltje

De rit was een nachtmerrie. België was vanuit Nederland onbereikbaar geworden. De snelwegen waren dichtgeslipt. Direct na de grens op de A16 van Breda naar Antwerpen ging het al mis en kwamen we met de auto zo goed als helemaal vast te zitten. Bij de eerste de beste afrit zei ik tegen Nien : 'We gaan koffie drinken en polshoogte nemen' . Mijn twee pubers achterin waren zichtbaar ook aan een colaatje of Fanta toe. Onze kleine baby was de enige die zich niet bewust was geweest van het onheil dat we tegemoet gingen. We waren nog maar net de afrit naar het parkeerterrein  afgegleden of er verschenen pontificaal twee mannen voor onze bumper. Ik ontwaarde een cameraman en een geluidsman. In mijn achteruitkijkspiegel zag ik ze achter onze auto aanrennen. Ik stopte en liet het raam elektrisch opengaan. 'Awel', vroeg de geluidsman, 'Ge reist af naar Antwerp?' Ik knikte waarna de man de microfoon met daarop het blokje van de Belgische commerciële zender VTM voor mijn snufferd hield en doorvroeg: 'Ge weet toch wel dat de weg naar Antwerp een grote lange file is met vooral Nederlanders?' Ik zeg tegen hem: 'Nee, maar u zegt het. Is het werkelijk zo erg? Hoe lang duurt de vertraging?'. De man dringt aan: 'Het zijn vooral Nederlanders die in de file gaan staan hè?' De insinuerende opmerking deed me in een opwelling besluiten lekker de botte Nederlander uit te hangen. Ik zeg met mijn beste Belgisch accent dat ik me na een jaar Gent eigen heb gemaakt: 'Aja, ge denkt vast en zeker dat al die kaaskoppen dom zijn hè? Nu welaan, er rijden toch zeker ook Belgen in deze file?'. De VTM-verslaggever denkt slinks te zijn en stelt: 'De Nederlanders in de file zijn toch ruimschoots in de meerderheid?' Ik begin nu echt een hoge graad van irritatie te bereiken: 'Alla, ge wenst mij te bekennen dat wij als Nederlandse meerderheid dom en/of onwetend zijn? Dat wij ons als zwakke schaapkes laten verleiden om onszelf in de grote wolvenbuik België te laten verdwijnen? Aja, voorwaarts ik zeg u, meneer verslaggever, uw vragen zijn vast bedoeld om ons op onze schreden te laten terugkeren. België vindt u vast te vol. Met Nederlanders, Turken, Marokkanen, Congolezen or whatever. Wij rijden met zijn vijven zo meteen  rustig de A16 op en stromen samen met al die onwetende en domme Nederlandse toeristen langzaam maar zeker uw heerlijk België in. Een goedendag.' De verslaggever was stom verbaasd. Terwijl ik snel het raampje sloot en wegreed bleef het VTM-blokje op zijn microfoon vastzitten tussen het raam en de bovenkant van de deur. Nu was het hek van dam. Het microfoonsnoer rukte de camera uit de handen van de cameraman. De camara viel met een een harde klap op het asfalt en sleurde nog heel even achter de auto aan. Er zat nog maar éen ding voor ons op: voordat ze de politie gingen bellen: zo snel mogelijk onze weg vervolgen naar ons donkere Zwitserse, olie gestookte 30-er jaren chalet vlakbij Durby in de Ardennen. Opgaan in de lange file, onzichtbaar worden tussen alle toeristische domoren.
Maar de camera had alles vastgelegd. Terwijl het op de grond viel, waren de opnames niet gestopt. In het korte moment dat de camera  achter onze auto aansleepte en kapot was gestuiterd, was ons kenteken in de hoek van het TV-beeld vereeuwigd. Mijn straf voor de Belgische justitie was niet meer te ontlopen. Op TV werd de uitzending met mijn kop en onze auto de dag erna nog vele malen herhaald. Mijn reputatie was  voorgoed voorbij.

Ik schrijf dit verhaal als mijn liefsten nog onschuldige dromen dromen, hier in het donkerbruine chalet in de Belgische Ardennen om 6 uur 's ochtends na de avond van het incident. We hadden toen nog drie uur in de file gestaan, de baby had geen kik gegeven en dus waren we gestaag doorgereden en keurig zonder aanhouding twee keer zo laat op onze vakantiebestemming aangekomen. Ik zit nu achter het tafeltje in de keuken, mijn gedroomde schrijftafeltje met uitzicht op een dal, een diep dal.

zondag, november 01, 2009

De appeltjes van Renée

De placenta kwam er niet uit en daarom bleef de verloskundige maar hard op de buik van mijn lief duwen en trekken aan de gedraaide navelstreng. ‘Als het over tien minuten niet gebaard is, gaan we alsnog naar het ziekenhuis’, zei ze tegen ons. Mijn dochter was al geboren maar de moederkoek nog niet. Het bleek een hele bevalling, die nageboorte. Bijna erger dan de hele geboorte van mijn dochter. Eén minuut voor twaalf schoot het er eindelijk uit. Het had negen maanden ons meisje helpen voeden en lag nu als een bloederige plumpudding of koeienvlaai op ons bed. De verloskundige pakte het vlies en maakte er een onsmakelijke zak van. Het leek op een groot uitgevallen boterhamzakje. Zo eentje die je als verlate wraakactie na vijfendertig jaar nog steeds bij je grootste rivaal van je klas in zijn schooltas had willen stoppen. ‘En?’, vroeg de verloskundige? ‘Wat ga je ermee doen?’ De vraag bleef repeteren in mijn hoofd. Wat ga je ermee doen, wat ga je ermee doen? ‘Hoe bedoel je, wat ga je ermee doen?’ ‘Weggooien of begraven?!’, vroeg ze. Voor ik het wist had de verloskundige de substantie in een grijze vuilniszak gestopt, en had ikzelf de zak buiten in de grijze afvalcontainer gedumpt.
Diezelfde nacht droomde ik over bloederige vleesbomen, gehaktmachines en bloeddorstige slagers. Ik had er geen goed aan gedaan de moederkoek, de schakel tussen moeder en dochter, zo gewetenloos in de container te storten. Vroeg in de ochtend sloop ik in een halfslaap naar de schuur. Met een schop in de hand liep ik naar de vuilnisbak. Ik opende de deksel en stak er diep mijn hoofd en bovenlijf in. Met mijn uitgestrekte arm en mijn langste vingers greep ik de vuilniszak. De inhoud, onze heilige graal, moest van de ondergang worden gered. En wel nú.
In de voortuin waren maar weinig plekken onbezet. Tussen de lavendel en de vlinderboom zag ik nog een maagdelijk stuk grond. Hier kon ik de moederkoek plechtig begraven. Ik legde de zak op de crematoriumtegels - plavuizen met witte steentjes die mijn ouders er twintig jaar geleden voor hun eigen gemak in hadden laten leggen - en begon te graven. Ik keek naar links, naar rechts. Graven. Er was niemand te bekennen op straat. Doorgraven. Het was vroeg, de ouderwetse, 20-er jaren lantarenpalen schenen nog. Snel, ik hoor wat... graven! Voorzichtig kieperde ik de inhoud in het diepe gat. De bodem was nu bedekt met een homp bloederig vlees gehuld in een blauw gekleurd vliesje. Het gat was nog niet gedicht of een uit zijn voegen gebarsten Beagle rende op mij af. Ik was perplex. Waar kwam dat beest zo plotseling vandaan? Door de onweerstaanbare geur van moederkoek aangetrokken stak de Beagle in luttele seconden zijn snuit in de kuil en nam een hap. Het beest leek van de duivel bezeten. Vanaf nu beschouwde hij zijn buit als zijn rechtmatige bezit. Toen ik hem bij zijn riem wilde pakken hapte hij mij zonder te waarschuwen in mijn linkerhand. Een lange wond in de vorm van een hondengebit gaapte in mijn vel. Ik voelde nog niets, alleen een stijgende woede steeg ik in mij op. Het bloed gutste van mijn hand. De maat was vol, een grens was overschreden. Drie keer sloeg ik zo hard als ik kon op zijn kop.Verdomme, klote beest, beweeg! Onberoerd bleef hij liggen. Met de schop porde ik tegen zijn ribbenkast. Niets bewoog nog. Shit, wat heb ik gedaan? Shiiihiit! Hij is dood. In luttele seconden stortte ik de overgebleven aarde over de Beagle en was hij in het zwarte gat met moederkoek verdwenen. Ik maakte dat ik wegkwam, zette de schop weer in de schuur en verdween naar de voorkamer op de 1e etage van mijn huis om te zien of er op straat een eigenaar op zoek was naar zijn hond. Ondertussen depte ik met een oude doek de wond. Een kwartier bleef ik met pijn in mijn hand voor het raam staan kijken. Niemand. Moeder en kind sliepen nog als roosjes. Ik rende naar beneden en spoedde mij in de auto naar de eerste hulp van het dichtstbijzijnde ziekenhuis. 'Wilt u met of zonder verdoving dat ik uw wond hecht?' 'Doet u maar zonder', hoorde ik mijzelf tegen de dienstdoende arts zeggen, alsof ik een patatje had besteld.Vanuit het ziekenhuis reed ik direct richting het tuincentrum. Ik kocht een appelboompje, een 'Malus' en plantte deze bovenop de Beagle, die weer bovenop de moederkoek lag. Ongetwijfeld zal hij nog een stuk moederkoek hebben doorgeslikt, maar nu lag het tenminste in zijn geheel onder de Malus. Wat was ik blij dat ik de kuil diep genoeg begraven had. De boom groeit goed, er hangt in deze novembermaand nog steeds één appeltje aan. Bijna elk kind van de basisschool die ik langs zie lopen ziet 'm hangen. Ik zie de kleine kotertjes blij van hun vreugdevolle ontdekking naar hun moeder kijken en zeggen: 'Kijk mamma, een appel!'. De appel hangt er nog steeds. Tot voor kort, want een week geleden liep er een meisje langs. Ze zal rond de 16 zijn geweest. Ik dook achter het scherm van mijn computer weg en bespiedde haar. Ze keek om zich heen of er mensen waren die haar zagen. Ze zag ook mij niet want ze strekte haar arm uit en trok met een krachtige beweging het appeltje van de boom. Ik rende naar de voordeur, opende hem en riep: 'Meisje, ik vind niet erg dat je ons enige appeltje steelt, maar zeg in elk geval je naam!' Ik had het natuurlijk kunnen raden. Ze zag er niet alleen mooi, maar ook slim genoeg voor uit, maar ze zei het op een onschuldige en tegelijkertijd schuldige manier: 'Eva, meneer!'

donderdag, oktober 01, 2009

Zijn kindje

Renée, je jongste broer Jelle was twee weken geleden jarig. Ik vroeg hem welk cadeau hij in gedachten had. Het was de nieuwste gadget van het jaar: de touchscreen iPod. We gingen 'm halen in de speciaalzaak in de Langstraat. Toen ie terugkwam was hij de hele dag in de weer met dat ding. Hij keek helemaal niet meer naar je om. Net als jij wilde je broer aandacht dus ik vroeg hem te laten zien hoe dat fantastische apparaat van hem werkte. Hij vroeg me mijn handen op elkaar te leggen. Voorzichtig legde hij de iPod op de handpalm van mijn bovenste hand. "Het hoofdje moet boven en je moet 'm af en toe wiegen", zei hij op zijn meest serieuze toon. Op dat moment schoot ik in de lach en kon ik hem natuurlijk niet meer kwalijk nemen dat hij voor zijn eigen kindje meer aandacht had gehad.

vrijdag, augustus 28, 2009

Figaro Pasquale

Het was wisselvallig weer tijdens onze vakantie. Geen strandweer. Ook geen weer om de hele tijd op de camping van Bakkum te blijven hangen. Dus ging ik met mijn twee jongens een dagje naar het centrum van Amsterdam. Nu wilden zij eigenlijk alleen maar dure dingen 'scoren' in de stad. Zoals Nike-schoenen, Poema-shirts en Lacoste-truitjes. Maar pa wilde ook wat. 'Dus jongens: we gaan naar het Begijnhof'. Als drie verdwaalde toeristen uit eigen land, uitgedost met gymschoenen, slobber t-shirts, goedkope regenjasjes, op de billen hangende spijkerbroeken met gerafelde en uitgescheurde pijpen slenterden we langs de aanwijsbordjes met 'Begijnhof'. Totdat mijn oog viel op een plakkaat op een raam van een ouderwetse kapperszaak.Onze lange haren stonden recht overeind van de wind en de regen en in een opwelling zei ik tegen de jongens: 'Kom, dit lijkt mij een prima Amsterdamse kapper voor een knip en scheerbeurt voor rechtgesnaarde Rotterdamse gabbers zoals wij'. We liepen de smalle gang door. Op een tafeltje lag een stapeltje pamfletten. Toen we de zaak inliepen zette de barbier zijn cliënt vakkundig het mes op de keel. Overal kleine snuisterijen. Hij keek op, legde zijn scheermes naast de scharen voor de spiegel en vroeg: 'Wilt u geknipt of verzorgd worden?'. In mijn betrekkelijke onwetendheid antwoordde ik dat we geknipt wilden worden. Ik had het woord 'geknipt' nog niet uitgesproken of ik voelde al nattigheid. Ik besefte net te laat dat ik een verkeerd antwoord had gegeven. Dit was een valstrik, om de bokken van de schapen te scheiden. We stonden oog in oog met een barbier, een kappelsbeul van Amsterdam. 'Mijnheer, hier worden haar en ziel verzorgd. Heeft u in uw woonplaats geen vaste kapper? Cliënten horen een vaste kapper te hebben. Dat geeft ze een persoonlijke binding met de ambachtelijke kapper. Wat doet u eigenlijk?' Ik stamelde dat ik jurist was. Dit was het begin van een moreel kruisverhoor. Ik moest mijn waardigheid voor deze keurig in strak pak gestoken heer met Italiaanse tongval blijkbaar nog bewijzen. Onbeschaamd vroeg hij waar ik woonde. 'Wassenaar, meneer de kapper'. De klant voor de spiegel lachte tegen zichzelf. 'U ziet eruit als een marktkoopman vertelde onze barbier. Tegenwoordig is er een groot verval van culturele waarden. Men heeft geen eerbied meer voor het oude ambacht ', vertelde hij ons streng. Mijn jongste zoon voelde zich ongemakkelijk worden en om onze eer te redden zei ik luid en duidelijk, zodat de klant van meneer de kapper het ook kon horen: 'Vandaag krijgen jullie morele les, maar blijkbaar zijn wij te onwaardig om hier geknipt te worden'. Meneer de kapper duwde ons alledrie een pamflet in onze handen en bonjourde ons zo snel mogelijk zijn zaak uit. Over de rand van het pamflet zag ik mijn oudste zoon nog bijna struikelen over zijn gescheurde broekspijp. Zijn broek hing nu helemaal tot onder zijn billen. Het dure merk dat op de elastieken band van zijn onderbroek gedrukt stond, zou bijna verklappen dat hij van goede huize kwam. Toch zag je dat de kwaliteit te wensen overliet. De onderbroek was verkleurd in de wasmachine. Het was een neppert die voor drie euro in Turkije was gekocht. We waren 'minderwaardige' markkooplieden, landlopers, edele wilden, culturele barbaren die een loopje namen met fatsoen en waardigheid. Op dat moment stonden we al buiten. Beteuterd. Hoe had ik mijn jongens en mijzelf  toch zó kunnen verwaarlozen? De jeugd van tegenwoordig... Het miezerde. Ik sloeg een rechterarm om de schouders van mijn jongste zoon en een linkerarm om de middel van mijn oudste. Die hield de gekleurde paraplu achter zijn billen en draaide 'm vrolijk rond. Daar stonden we dan. Niet geknipt en ongeschoren. Wanneer zouden we er nu eindelijk eens fantsoenllijk uit gaan zien? Even later vraagt mijn jongste zoon: 'Wie denkt hij eigenlijk wel dat hij is?' 'Figaro', antwoord ik, 'de kat van Pinokkio maar in werkelijkheid is hij Japie de Krekel, Ons Geweten of nee Onze Fatsoensrakker.'

zaterdag, augustus 22, 2009

Matroesjka Renée

Lief klein wormpje. Je bent geboren op een zonnige zaterdagochtend. Je bent zo klein ter wereld gekomen dat je precies op mijn hand paste (de hand van de verloskundige hier op de foto is een stuk kleiner dan de mijne). Thuis heb jij voor het eerst het licht gezien en onze stemmen gehoord zonder de buik en het vruchtwater van je lieve moeder om je heen.
Daar ben je zomaar, ons mooie meisje. Gewikkeld in een bont gekleurde doek lijk je sprekend op het binnenste en kleinste popje van een Matroesjka. Eindelijk kunnen we zien hoe je er uitziet en weten we een beetje wie je bent. In je ronde bolletje priemen grote diepe, donderblauwe ogen met daarop lange wimpers en een heel dun laagje vlashaar. Renée, zo hebben we je genoemd. En als je deze naam niet leuk vindt, noem jezelf dan maar Matroesjka.

zaterdag, augustus 15, 2009

Zeevonk, duizend nachtlichtjes

Mijn vader had ons midden in de nacht uit bed getrommeld: 'Nu opstaan en meekomen'. Met onze slaperige hoofdjes keken mijn zus en ik elkaar vragend aan: er zou toch niets ergs gebeurd zijn? Hij leek niet in paniek of ongerust. Hij was eerder vastberaden en euforisch en wilde ons dolgraag iets laten zien. 'Ik zeg niets, jullie zien het vanzelf'. In de auto vroegen we ons af waar we naartoe gingen. Zodra de duinen in het zwakke maanlicht verschenen kregen we een vermoeden. Bij de Wassenaarse Slag stapten we uit op de verlaten parkeerplaats. We bestegen de brede trap naar boven alsof we Petrus zelf bovenaan de hemelpoort verwachtten. Toen we eindelijk weer naar beneden het strand opliepen, zagen we voor het eerst van ons leven datgene waarvoor mijn vader ons gewekt had. Een magisch verlichte branding, in dunne blauwe streepjes voor de kustlijn. Vuurvliegjes kenden we al. Ze verschenen sporadisch in onze tuin. Maar dit hadden we nog nooit gezien. 'Trek je zwembroek aan, dan gaan we zwemmen'. Als eerste rende hij de zwoele zee in. Zijn voetstappen verschenen in groengekleurde ringen en verdwenen in het zand. Hij lichtte op als een engel die met duizend lichtjes door de branding waadde. Daarna volgden wij. We zwommen en al onze ledematen lichtten op. Ze werden vreemde tentakels en verdubbelden optisch in de zee. Nu was ik de aller-, allergelukkigste octopus, dat wist ik zeker. Als ik mag re-incarneren dan maar zo. 'Het komt door kleine diertjes - plankton - die, als ze bewegen, licht geven', vertelde mijn vader. Hij had het niet helemaal bij het rechte eind want het gaat om zeevonk (Noctiluca scintillans) dat noch een alg, noch een diertje en eigenlijk geen van beide is. Maar dat deed er niet toe. Thuis droomde ik van een nachtelijke wereld vol verlichte dieren. Zelf was ik één van hen en dat zal ik nooit meer vergeten.
Toen ik jaren later 's nachts, midden op de Golf van Biskaje, op een groot en duur zeiljacht, alleen op dek, wachthoudend, gedachteloos, turend naar het onweer dat af en toe aan de horizon verscheen, bij windstilte, in het pikkedonker, op de lange trage deining van de oceaan voortdobberde, verscheen plotseling een torpedo in het water. Hel verlicht was hij door zeevonk. In een flits dacht ik dat al mijn dierbare dagen waren geteld. Dit was een torpedo die door een onbekende onderzeeër was afgevuurd om ons rijkeluiskinderen naar de diepe bodem van de oceaan te doen zinken. Hij kwam recht, in een hoek van 90 graden, op romp af en zou direct een groot gat in het polyester slaan. Een seconde later besefte ik dat ik met een nieuwsgierige door vuurvonk verlichte dolfijn te maken had want de torpedo draaide snel bij om voor de boeg een vreugdesprong te maken.
Enkele jaren later toen ik met ons eigen zeilschip in de haven van het Duitse waddeneiland Norderney lag, ontdekte ik tijdens het doortrekken van de wc hetzelfde fenomeen. Bij iedere pompbeweging lichtte de pot op tot een magische groenblauwe plas- en poepbak. Ik verlang nog altijd naar het moment dat ik 's nachts opnieuw de zee induik en heel even een engel of een octopus kan zijn in de branding. Dan wek ik mijn kinderen midden in de nacht en zeg: 'Nu opstaan en meekomen'. Laat me als je blieft weten wanneer het zover is.

maandag, maart 09, 2009

Ik lieg, jij liegt

Uitspraak van Hugo Claus:
"Ik ben dol op liegen. Ik lieg vrijwel constant en dat is wat mij in leven houdt. Ik kan ook niet omgaan met mensen die niet liegen. Ik zou bijvoorbeeld niet met jou omgaan als ik niet wist dat jij niet continue een leugenachtige vertoning opvoerde. Ik lieg, jij liegt. Beiden weten we dat we liegen maar daaronder kunnen we alle waarheden kwijt."

donderdag, november 20, 2008

Godenslaap

Vlakbij de Noorderkerk in Amsterdam, nadat we de Noordermarkt hadden afstruind, duik ik een boekhandeltje in om een krant te kopen. Op de balie bij de kassa zie ik de stapel boeken al liggen: Godenslaap van Erwin Mortier. Ik kan het niet laten. Na zoveel lovende kritieken wil ik de zinderende betovering van zijn taal zelf ervaren. Ik ben nog niet eens halverwege en wil alles opschrijven om niet te vergeten.
De eerste zinnen op de eerste bladzijde zijn al verpletterend:

Ik heb altijd gehuiverd voor de daad van het beginnen. Voor het eerste woord, de eerste aanraking. De onrust wanneer zich de eerste zin moet vormen, en na de eerste de tweede.

Ik zou er veel voor geven om in de ondergrond van onze geschiedenissen te kunnen afdalen, om aan touwen neergelaten te worden in hun donkere schachten en grondlaag na grondlaag in het lamplicht voorbij te zien schuiven. Al wat de bodem geborgen heeft: grondvesten, hekstijlen, boomwortels, soepborden, soldatenhelmen, de skeletten van dieren en mensen in een verstilde chaos, de tot aardkorst gestolde maalstroom die ons verzwolg. Ik zou dat boek het boek van de scherven noemen, van de gebeenten en de kruimels, van de bomenrijen en de doden in het keldergat, en het drinkgelag aan de lange tafel.

En dan op pagina 26 de waardering van de vrouwelijk hoofdpersoon voor de Marokkaanse vrouw Rachida die haar aan het eind van haar leven met een natuurlijke trots en liefde verzorgt:

Haar blik is de blik van een vrouw. Wij begrijpen elkaar. Onder het oog van de vrouw wordt elke man een jochie met een schietgeweertje. Hun liefde is zo kinderlijk.
Ik schrijf voorlopig even niet meer, want al mijn woorden verbleken in de poëtische verhaalkunst van Mortier. Lezen wil ik, tot geen enkele zin van hem meer ongelezen is. Als granaten uit de 1e wereldoorlog laat ik zijn zinnen in mijn hoofd ontploffen. Ik laat ze als kanonskogels tot diep in mijn brein doordringen. Ik raak zwaargewond, geïnfecteerd door het virus van zijn gedachten. En dan ben ik zomaar niemand meer. Hooguit nog een adorerende lezer die zichzelf verloren heeft in een diepe Godenslaap.

zaterdag, november 01, 2008

Het boze mannetje

Het miezert als ik bij Amsterdam Zuid met tegenzin de trein instap. Ik ben op weg naar mijn tennisvereniging in Rotterdam maar vlak voor Utrecht CS krijg ik een sms-je dat de les niet doorgaat. Daar besluit ik mijn kapotte telefoon weg te brengen bij het telefoniebedrijf op de Mariaplaats. Terwijl de honderden winkelende passanten aan mij voorbij flitsen tuur ik in Hoog Catharijne naar de ammonieten en de belemnieten in de vloer uit het Juratijdperk. In de telefoonwinkel tuurt een verkoper naar een klein deukje in het omhulsel van mijn mobiele telefoon om mij mede delen dat het niet functioneren van mijn beeldscherm niet meer onder de garantiebepalingen valt. Aan de andere kant van de balie staat Arthur Japin en zijn vriend met de zwarte bril. Zij staan er voor een nieuw mobieltje en zijn duidelijk opgewekter dan ik. In een oogwenk bedenk ik dat ik via Bluetooth stiekem alle berichtjes uit zijn oude mobieltje zou kunnen ophalen. Net als Pierre Bokma in de film Interview van Theo van Gogh zou ik in zijn laatst verstuurde berichtje misschien wel iets kunnen lezen dat het daglicht niet kan verdragen. Dat hij bijvoorbeeld niet van zijn bebrilde vriend houdt maar van een jongetje van 12, of zo. Ik besluit om niet rechtsaf te gaan naar de boekhandel op de hoek aan de Oude Gracht want zijn dagboeken interesseren me niet. Ik loop linksaf naar De Slegte voor het werk van Erwin Mortier. Als ik met zijn tweedehands romans Marcel, Mijn Tweede Huid en Sluitertijd in mijn handen sta, realiseer ik me dat ik feitelijk blut ben. Daarom koop ik van mijn laatste paar euro's een klein boekje voor Pien, van Martin Bril over zijn twee - toen nog - jonge dochters. Op weg naar Rotterdam, als de trein langzaam op gang komt, flitsen mijn ogen langs betekenisloze teksten op de muur naast het spoor. Onwillekeurig zoek ik naar figuratieve graffiti. En daar staat ineens dat grijs gespoten mannetje. Boos kijkt hij de wereld in. Ik bel mijn zoon op om te zeggen dat hij zijn warme nest niet uit hoeft voor tennis maar hij neemt niet op. Zijn moeder vertelt dat hij zonder iets te zeggen 's nachts bij zijn vriend is blijven slapen. Met hem had ik bij mooi weer dus sowieso niet op de baan gestaan. Zal hij gedronken hebben? Gerookt? Zal hij zich een beetje gedragen hebben op het feestje van zijn klasgenoot? Zullen meisjes hem verleid hebben? Ik kreeg koppijn en daarna is het niet meer goed gekomen want die zaterdag nestelde het boze mannetje zich in mijn hoofd en pas vanochtend, toen Pien mij vrolijk wakkermaakte, is hij eindelijk weer verdwenen.

maandag, oktober 20, 2008

Calimucho

Drank maakt meer kapot dan je lief is. We zaten in bioscoop Het Ketelhuis op het terrein van de Westergasfabriek in Amsterdam. Zo'n heerlijk moment waarbij we rust vonden in onze luie bioscoopstoelen en verwachtingvol wachtten tot de verduistering intrad. Lezen lukte niet meer bij het weinige licht in de zaal. We luisterden naar de nieuwste nummers van Coldplay voordat de reclames op het grote doek verschenen. Op dat moment hoop je dat er geen grote vent voor je gaat zitten of een dame met een hoge hoed (zoals bij Bert en Ernie).
Dwars door het projectielicht liepen plotseling 10 figuren uit een strip. De silouetten van hun verwilderde haren en hun voorovergebogen houdingen verrieden hun herkomst of beter gezegd: hun thuisloosheid. Toch waren ze heel goed thuis te brengen. Vandaag had de psychiatrische inrichting of het Leger des Heils hun mét korting van Albert Heijn ongetwijfeld een bioscoopbon kado gedaan en werden ze met een busje naar Het Ketelhuis gebracht waar ze prompt als geestverschijningen in onze film opdoemden en later als onze kwelgeesten.
We roken een mengeling van wijn en cola, Calimucho. Waar Willy in zijn circusleven een messengooi-act uitvoert met Dicky, de dochter van de cirsusdirecteur, daar is concentratie letterlijk voor haar van levensbelang. Maar Willy drinkt en rookt, evenals onze dak- en thuislozen, stiekem calimucho en goedkope shag. Zijn dronkenschap tast niet alleen zichzelf aan. Zijn act, zijn bron van inkomsten, ook het lot van Dicky en zijn zoontje Timo liggen in zíjn handen. Dit wordt een boeiende documentaire denk je. Maar schijn bedriegt. Als de intelligente filmregisseuze Eugenie Jansen de circusmuzikanten het lot van Timo laat bedenken, vertellen en bezingen, weet je al: dit wordt een levensechte spéélfilm, veel realistischer nog dan een docudrama op tv. Jansen weet op een originele manier de kijker vanuit vele perspectieven naar de geconstrueerde werkelijkheid te laten kijken. Zo blijft me eeuwig Timo bij die helemaal alleen op het circusterrein in een plasje water aan het spelen is. Of Willy met zijn heerlijke Amsterdamse accent. En Dicky die zich als stiefmoeder nergens op kan beroepen om Timo bij zich te houden. Ze verlangt gewoon naar een beetje liefde en aandacht. De Marokkanen, kwetsbaar als afhankelijke allochtonen spelen ook een belangrijke rol in de film. Dit is Nederland in het kwardraat. Anders gezegd: Nederland op de paar vierkante meters van een circusterrein.
Als kijker kom je tot het inzicht dat de werkelijkheid die je in deze film als zo griezelig echt ervaart 'in werkelijkheid' door de maakster is bedacht, verzonnen, geënsceneerd, gemanipuleerd en geregisseerd. Deze film is ingenieus. Op een subtiele manier wordt je erop gewezen dat dit het geval is. En toch lijkt alles zo echt omdat de hoofdpersonen in hun eigen omgeving zijn gefilmd.
Ieder nieuw hoofdstuk wordt met een prachtige smartlap door de muzikanten ingeleid en bezongen. Dit is een knappe, heel knappe film.
Het tweede of derde beeld van de trailer spreekt al boekdelen: een lama loopt, net als de geestverschijningen van onze bioscoopburen, door een beeld waarop Willy en Dicky voor hun caravan zitten. Achter de caravan (de ultieme Nederlandse sleurhut), die het schrijnende midden houdt tussen twee gescheiden werelden, bidden de Marokkaanse tentbouwers tot Mekka. Hun financiële afhankelijkheid wordt pijnlijk als de oudere tentbouwers de jonge Marokkaanse Tarek waarschuwen voor zijn contacten met Dicky. Als dat fout afloopt worden ook zij de dupe. Ook die gevoeligheid is prachtig verbeeld in Calimucho. De wereld is niet wat hij lijkt te zijn... en toch ook weer wel... Kijk!